Hadith Qudsi 12
De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: “Een man van degenen die voor jullie waren, moest rekenschap afleggen. Er werd niets goeds bij hem gevonden behalve dat hij gewend was om met de mensen om te gaan, en aangezien hij in goede doen verkeerde, gaf hij zijn bedienden het bevel om de man die in moeilijke omstandigheden verkeerde, vrijstelling (van het betalen van zijn schulden) te verlenen.” Hij zei: “Dat Allah zei: ‘Wij maken daar meer aanspraak op dan jij. Laat hem gaan.’”
Gezegd door: Aboe Mas’oed al-Ansari (radiAllahoe ‘anhu)
- Collectie
- 40 Hadith Qudsi, nummer 12
- Bron
- Hadith Qudsi nummer 12, Sahieh Al Boekharie, Sahieh Muslim & an-Nasaa’i