Smeekbede op de Safaa en de Marwah

Djaabir ibn ‘Abdillaah (moge Allah tevreden zijn met hem en zijn vader) beschreef de Hadj van de Boodschapper van Allah ﷺ en zei:

“… Toen hij dicht bij de Safaa kwam, reciteerde hij: ‘Voorwaar, de Safaa en de Marwah behoren tot de tekenen van Allah’ (en zei): ‘Ik begin met waarmee Allah begonnen is.’ Hij begon dus met de Safaa en beklom die totdat hij het Huis (de Ka’bah) zag. Hij keerde zich naar de qiblah, verklaarde de eenheid van Allah, verheerlijkte Zijn grootheid en zei:

لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللَّهُ وَحْدَهُ لاَ شَرِيكَ لَهُ لَهُ الْمُلْكُ وَلَهُ الْحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللَّهُ وَحْدَهُ أَنْجَزَ وَعْدَهُ وَنَصَرَ عَبْدَهُ وَهَزَمَ الأَحْزَابَ وَحْدَهُ

Niemand heeft het recht aanbeden te worden behalve Allah alleen, Hij heeft geen deelgenoot. Aan Hem behoort de heerschappij en aan Hem behoort de lof, en Hij is tot alles in staat. Niemand heeft het recht aanbeden te worden behalve Allah alleen. Hij heeft Zijn belofte vervuld, Zijn dienaar geholpen en de bondgenoten (al-Ahzaab) alleen verslagen.

Daarna deed hij daartussen du’a; hij zei dit drie keer. … Op de Marwah deed hij zoals hij op de Safaa had gedaan.”

Deze hadieth staat in Sahieh Muslim 1218.