Smeekbede wanneer men vreest voor het kwaad van een vijandig volk of een onrechtvaardige heerser

· bijgewerkt

‘Allah is voldoende voor ons en Hij is de beste Beschermer.’ De dua’s van de Profeet ﷺ als men een vijand of onrechtvaardige heerser vreest, met bron.

Alle categorieën 21

‘Abdoellah ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden zijn met hem en zijn vader) zei:

 “حَسْبُنَا اللَّهُ وَنِعْمَ الْوَكِيلُ  

Allah is voldoende voor ons en Hij is de beste Beschermer.

Dit zei Ibraahiem toen hij werd geworpen in het vuur. En Mohammed ﷺ zei dit toen er werd gezegd: ‘Voorwaar, de mensen hebben zich tegen jullie verzameld, vrees hen dus. Waarna hun geloof (juist) toenam en zeiden: Allah is voldoende voor ons en Hij is de beste Beschermer.’”

Deze hadieth staat in Sahieh al-Boekharie 4563.

Aboe Moesa al-Ash’arie (moge Allah tevreden met hem zijn) zei:

“Wanneer de profeet ﷺ een volk vreesde, dan zei hij:

 اللَّهُمَّ إِنَّا نَجْعَلُكَ فِي نُحُورِهِمْ وَنَعُوذُ بِكَ مِنْ شُرُورِهِمْ 

O Allah, wij plaatsen U voor hen en wij zoeken onze toevlucht bij U tegen hun kwaad.”

Sahieh volgens de voorwaarden van al-Boekharie en Muslim. Sahieh soenan Abie Daawoed 1375.

Soehayb ar-Roemie (moge Allah tevreden met hem zijn) zei dat de boodschapper van Allah ﷺ gezegd heeft:

“Er was eens een koning onder degenen die vóór jullie leefden. Deze koning had een saahir (tovenaar). Toen deze saahir (tovenaar) oud werd, zei hij tegen de koning: Ik ben zeker oud geworden, breng mij dus een jongen zodat ik hem sihr (tovenarij) zal onderwijzen. Dus bracht de koning hem een jongen om hem te onderwijzen. Op de weg van de jongen was er een monnik. Hij ging bij hem zitten en luisterde naar zijn woorden die hem bevielen. Telkens wanneer hij naar de saahir (tovenaar) ging, kwam hij langs de monnik en bleef bij hem zitten. Wanneer hij dan bij de saahir (tovenaar) kwam, sloeg hij hem. De jongen klaagde hierover bij de monnik, die zei: Als je vreest voor de saahir (tovenaar), zeg dan dat je familie je heeft opgehouden. Wanneer je vreest voor je familie, zeg dan dat de saahir (tovenaar) jou heeft opgehouden. Terwijl de jongen zich in die toestand bevond, kwam hij een groot beest tegen dat de weg voor de mensen blokkeerde, waarop hij zei: 

Vandaag zal ik weten wie beter is, de saahir (tovenaar) of de monnik. Hij nam een steen en zei: O Allah, als de zaak van de monnik U geliefder is dan de zaak van de saahir (tovenaar), dood dit beest dan zodat de mensen erlangs kunnen. Daarop gooide hij de steen, doodde het beest en de mensen konden erlangs. Hij ging naar de monnik en vertelde hem hierover. De monnik zei tegen hem: O mijn zoon, vandaag ben jij beter dan ik. Ik zie dat jij een hoge rang hebt bereikt. Jij zult beproefd worden. Als je beproefd wordt, verwijs dan niet naar mij. De jongen genas de blindgeborenen en de lepralijders en hij genas de mensen van allerlei andere ziekten. Een hoveling van de koning, die blind was geworden, hoorde hierover. Daarop ging hij naar hem toe met vele geschenken en zei: Alles wat hier is, is voor jou als jij mij geneest. De jongen zei: Ik genees niemand, het is slechts Allah De Verhevene die geneest. Als jij dus in Allah gelooft, smeek ik Allah aan, zodat Hij jou zal genezen. Dus geloofde hij in Allah De Verhevene, waarna Allah De Verhevene hem genas. De hoveling ging naar de koning en zat bij hem, zoals hij gewoonlijk bij hem zat. Daarop zei de koning tegen hem: Wie heeft jou jouw zicht teruggegeven? De hoveling antwoordde: Mijn Heer. De koning zei: Heb je dan een andere Heer dan ik? De hoveling antwoordde: Mijn Heer en jouw Heer is Allah. Daarop greep de koning hem en bleef hem martelen, totdat hij naar de jongen verwees. De jongen werd gebracht, waarna de koning tegen hem zei: O mijn zoon, jij hebt met jouw sihr (tovenarij) een niveau bereikt dat jij de blindgeborenen en de lepralijders geneest en jij dit en dat doet. De jongen zei: 

Ik genees niemand, het is slechts Allah De Verhevene die geneest. Daarop greep de koning hem en bleef hem martelen, totdat hij naar de monnik verwees. Vervolgens werd de monnik gebracht. Er werd tegen hem gezegd: Keer terug van je religie, maar hij weigerde. De koning liet daarop een zaag halen, plaatste deze op het hoofd van de monnik en zaagde hem doormidden, totdat hij in twee stukken neerviel. Daarna werd de hoveling van de koning gebracht. Er werd tegen hem gezegd: Keer terug van je religie, maar hij weigerde. Daarop werd de zaag op zijn hoofd geplaatst en hij zaagde hem doormidden, totdat hij in twee stukken neerviel. Daarna werd de jongen gebracht. Er werd tegen hem gezegd: Keer terug van je religie, maar hij weigerde. Dus droeg de koning hem over aan een groep van zijn mannen en zei: Ga met hem naar die en die berg en bestijg het met hem. Als jullie de top hebben bereikt, vraag hem dan om van zijn religie terug te keren. Indien hij weigert, werp hem dan van de berg. Dus gingen zij met hem en bestegen de berg, waarna de jongen zei: 

 اللَّهُمَّ اكْفِنِيهِمْ بِمَا شِئْتَ ‏

O Allah, red mij van hen op welke manier U maar wilt.

Daarop begon de berg te beven, waarna zij naar beneden vielen en de jongen lopend naar de koning kwam. De koning vroeg aan de jongen: Wat is er met jouw metgezellen gebeurd? Hij antwoordde: Allah heeft mij van hen gered. Toen droeg de koning hem over aan een groep van zijn mannen en zei: Neem hem mee op een boot en ga naar het midden van de zee. 

Vraag hem dan om van zijn religie terug te keren. Indien hij weigert, werp hem dan in de zee. Zij namen hem mee, waarna de jongen zei: 

اللَّهُمَّ اكْفِنِيهِمْ بِمَا شِئْتَ ‏

O Allah, red mij van hen op welke manier U maar wilt.

Toen sloeg de boot om, waarna zij verdronken en de jongen lopend naar de koning kwam. De koning vroeg aan de jongen: Wat is er met jouw metgezellen gebeurd? Hij antwoordde: Allah heeft mij van hen gered. Toen zei hij tegen de koning: Jij zult mij niet doden, totdat je doet wat ik je beveel. De koning vroeg: En wat is dat dan? De jongen zei: Verzamel de mensen op een open vlakte en kruisig mij aan een boomstam. Neem vervolgens een pijl uit mijn pijlkoker, plaats de pijl in de boog en zeg: In de naam van Allah, de Heer van de jongen. Dan schiet je. Als je dat doet, dan zul je mij doden. Dus verzamelde de koning de mensen op een open vlakte en kruisigde de jongen aan een boomstam. Daarna nam hij een pijl uit zijn pijlkoker, plaatste het in de boog en zei: In de naam van Allah, de Heer van de jongen. Vervolgens schoot hij de pijl op hem af, waarna het de slaap van de jongen raakte. De jongen legde zijn hand op zijn slaap en stierf. Daarop zeiden de mensen: Wij geloven in de Heer van de jongen! Wij geloven in de Heer van de jongen! Wij geloven in de Heer van de jongen! Iemand kwam naar de koning en zei tegen hem: Zie je datgene waar je voor waarschuwde? Bij Allah, dit heeft waarlijk plaatsgevonden. De mensen zijn gaan geloven! 

Daarop beveelde de koning om diepe kuilen te graven aan de ingangen van de wegen. Deze werden gegraven en daarin werd vuur aangestoken. De koning zei: Wie niet terugkeert van zijn religie, werp hem er dan in. Of er wordt tegen hem gezegd: Spring. Dit werd gedaan. Toen kwam er een vrouw met haar baby. Ze haperde om erin te springen. Daarop zei de baby tegen haar: O moeder, heb geduld, want voorwaar jij bevindt je op de waarheid.”

Deze hadieth staat in Sahieh Muslim 3005.

Anas ibn Maalik (moge Allah tevreden met hem zijn) zei:

“Wanneer de boodschapper van Allah ﷺ ten strijde trok, zei hij:

اللَّهُمَّ أَنْتَ عَضُدِي وَنَصِيرِي بِكَ أَحُولُ وَبِكَ أَصُولُ وَبِكَ أُقَاتِلُ

O Allah, U bent mijn steun en mijn Helper. Door middel van U plan ik. Door middel van U val ik aan. Door middel van U strijd ik.”

Deze overleveringsketen is sahieh volgens de voorwaarden van al-Boekharie en Muslim. Sahieh soenan Abie Daawoed 2366.

‘Abdoellah ibn Abie Awfaa (moge Allah tevreden met hem zijn) zei:

“Op één van de dagen dat de boodschapper van Allah ﷺ de vijand tegenkwam, bleef hij een tijd wachten. Toen de zon begon neer te dalen, gaf de boodschapper van Allah ﷺ een preek en zei: O mensen, hoop niet op de ontmoeting met de vijand en vraag Allah om welzijn. Wanneer jullie hen echter tegenkomen, wees dan geduldig en weet dat het Paradijs zich bevindt onder de schaduwen van de zwaarden. Daarna stond de profeet ﷺ op en zei: 

اللَّهُمَّ مُنْزِلَ الْكِتَابِ وَمُجْرِيَ السَّحَابِ وَهَازِمَ الأَحْزَابِ اهْزِمْهُمْ وَانْصُرْنَا عَلَيْهِمْ 

O Allah, U die het boek hebt doen neerdalen, de wolken voortdrijft en de coalitie doet verliezen. Breng hen een nederlaag toe en doe ons over hen overwinnen.”

Deze hadieth staat in Sahieh al-Boekharie 2966 & Sahieh Muslim 1742.