Na de verplichte gebeden

Thawbaan (moge Allah tevreden met hem zijn) zei:

“Wanneer de boodschapper van Allah ﷺ zijn gebed beëindigde, vroeg hij Allah driemaal om vergeving en zei vervolgens: 

اللَّهُمَّ أَنْتَ السَّلاَمُ وَمِنْكَ السَّلاَمُ تَبَارَكْتَ ذَا الْجَلاَلِ وَالإِكْرَامِ

O Allah, U bent Vrede en van U komt alle vrede. Gezegend bent U, Bezitter van Majesteit en Eer. 

Al Walied, één van de overleveraars, zei: Ik vroeg Al Awzaa’ie: Hoe dient het vragen om vergeving te gebeuren? Hij antwoordde: Door te zeggen: 

أَسْتَغْفِرُ اللَّهَ أَسْتَغْفِرُ اللَّهَ 

Ik vraag Allah om vergeving, ik vraag Allah om vergeving.

In een andere overlevering staat:

اللَّهُمَّ أَنْتَ السَّلاَمُ وَمِنْكَ السَّلاَمُ تَبَارَكْتَ يَا ذَا الْجَلاَلِ وَالإِكْرَامِ

O Allah, U bent Vrede en van U komt alle vrede. Gezegend bent U, o Bezitter van Majesteit en Eer.”

Deze hadieth staat in Sahieh Muslim 591 & 592.

Al Moeghierah ibn Shoe’bah (moge Allah tevreden met hem zijn) zei: 

“Wanneer de boodschapper van Allah ﷺ zijn gebed beëindigde en de vredesgroet uitsprak, zei hij: 

لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللَّهُ وَحْدَهُ لاَ شَرِيكَ لَهُ لَهُ الْمُلْكُ وَلَهُ الْحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ 

اللَّهُمَّ لاَ مَانِعَ لِمَا أَعْطَيْتَ وَلاَ مُعْطِيَ لِمَا مَنَعْتَ وَلاَ يَنْفَعُ ذَا الْجَدِّ مِنْكَ الْجَدُّ

Niets heeft het recht om aanbeden te worden behalve Allah alleen, zonder deelgenoot. Aan Hem behoort het koninkrijk, Hem komt alle lof toe en Hij is almachtig over alle zaken. O Allah, er is geen tegenhouder van wat U geeft en er is geen gever van wat U tegenhoudt. De bezitter van rijkdom heeft geen profijt (tegen U), van U komt alle rijkdom.”

Deze hadieth staat in Sahieh al-Boekharie 844 & Sahieh Muslim 593.

Aboe az-Zoebayr (moge Allah hem genadig zijn) zei: 

“Ibn az-Zoebayr was gewoon na het uitspreken van de vredesgroet na elk gebed het volgende te zeggen:

 لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللَّهُ وَحْدَهُ لاَ شَرِيكَ لَهُ لَهُ الْمُلْكُ وَلَهُ الْحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ  لاَ حَوْلَ وَلاَ قُوَّةَ إِلاَّ بِاللَّهِ لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللَّهُ وَلاَ نَعْبُدُ إِلاَّ إِيَّاهُ لَهُ النِّعْمَةُ وَلَهُ الْفَضْلُ وَلَهُ الثَّنَاءُ الْحَسَنُ لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللَّهُ مُخْلِصِينَ لَهُ الدِّينَ وَلَوْ كَرِهَ الْكَافِرُونَ

Niets heeft het recht om aanbeden te worden behalve Allah alleen, zonder deelgenoot. Aan Hem behoort het koninkrijk, Hem komt alle lof toe en Hij is almachtig over alle zaken. Er is geen macht of kracht behalve bij Allah. Er is niets dat het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah. Wij aanbidden niemand behalve Hem. Aan Hem behoort de gunst en aan Hem komen de mooie prijzingen toe. Er is niets dat het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah. Wij wijden de religie zuiver aan Hem toe, ondanks de ongelovigen er een hekel aan hebben.

Ibn az-Zoebayr zei: De boodschapper van Allah ﷺ was gewoon deze woorden na elk gebed uit te spreken.”

Deze hadieth staat in Sahieh Muslim 594.

Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden met hem zijn) zei: 

“De armen onder de moehaadjirien (emigranten) kwamen naar de boodschapper van Allah ﷺ en zeiden: De mensen van rijkdom zijn ervandoor gegaan met de hoge gradaties en een blijvende genieting! De boodschapper van Allah ﷺ vroeg: Waarom? Zij antwoordden: Zij bidden zoals wij bidden, zij vasten net zoals wij vasten, zij geven sadaqah maar wij niet, en zij kopen slaven vrij en wij niet. Daarop zei de boodschapper van Allah ﷺ: Zal ik jullie dan niet iets leren waarmee jullie degenen die jullie voor zijn gegaan inhalen en waarmee jullie degenen die na jullie komen inhalen en niemand zal beter dan jullie zijn, behalve degene die hetzelfde als jullie verricht? Zij zeiden: Welzeker, o boodschapper van Allah! De boodschapper van Allah ﷺ zei: Prijs Allah, verklaar Zijn grootheid en dank Hem na elk gebed 33 keer (subhaanAllah, Allahu akbar, alhamdulillah). Later kwamen de armen onder de moehaadjirien (emigranten) terug bij de boodschapper van Allah ﷺ en zeiden: De rijken onder onze broeders hebben gehoord wat wij doen, waarna zij hetzelfde verrichten. Daarop zei de boodschapper van Allah ﷺ: Dat is de gunst van Allah die Hij schenkt aan wie Hij wil.”

Deze hadieth staat in Sahieh al-Boekharie 843 & Sahieh Muslim 595.

Ka’b ibn ‘Oedjrah (moge Allah tevreden met hem zijn) zei dat de boodschapper van Allah ﷺ gezegd heeft: 

“Wie de volgende zaken na elk voorgeschreven gebed uitspreekt – of uitvoert – zal niet falen: 33 keer tesbieh (subhaanAllah), 33 keer tehmied (alhamdulillah) en 34 keer tekbier (Allahu akbar).”

Deze hadieth staat in Sahieh Muslim 596.

Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden met hem zijn) zei dat de boodschapper van Allah ﷺ gezegd heeft: 

“Wie Allah na elk gebed 33 keer prijst, Allah 33 keer dankt, Allahs grootheid 33 keer verklaart en op de honderdste keer zegt:

 لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللَّهُ وَحْدَهُ لاَ شَرِيكَ لَهُ لَهُ الْمُلْكُ وَلَهُ الْحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ

Niets heeft het recht om aanbeden te worden behalve Allah alleen, zonder deelgenoot. Aan Hem behoort het koninkrijk, Hem komt alle lof toe en Hij is almachtig over alle zaken.

…Zijn zonden worden vergeven, al zijn deze gelijk aan het schuim van de zee.”

Deze hadieth staat in Sahieh Muslim 597.